Terug

de vliegende blauwe struiszwisafeeuw

De vliegende blauwe struiszwisafeeuw.

In Afrika leven heel veel soorten dieren in het wild. Eén ervan is het wrattenzwijn. Ze wroeten met hun snuit in de aarde op zoek naar wortels. Daar­na gaan ze drinken aan de waterpoel.

Eén van deze wrattenzwijnen wroet alleen in de aarde. Hij wil niet bij de rest zijn. Hij denkt: "Wat zijn die allemaal lelijk. Ze hebben zoveel wratten op hun gezicht!" Maar dat vreselijk everzwijn weet nog niet dat hij er eigenlijk ook zo uitziet. Telkens er een van de groep dichterbij komt, duwt hij het 

Op een keer gaat hij drinken. Hij is alleen aan het water. Hij buigt voorover. Hij ziet zijn spiegelbeeld. "Ah neen," zucht hij, "dat kan toch niet. Ik ben net zo lelijk als al die andere zwijnen. Droevig stapt hij naar zijn modderig hol en slaapt in.

Die nacht droomt hij van mooie blauwe vissen die als edelstenen door de oceaan zwemmen. "Ik wil zo mooi zijn als die vissen," stamelt hij. 's Morgens staat hij vroeg op. Hij gaat drinken. Daar schrikt hij zich een hoedje. Hij ziet nu pas dat hij helemaal blauw is. Zijn wens is vervuld. Hij is zo mooi als die vis waarvan hij droomde. Trots loopt hij naar het woud terug. Alle dieren moeten zien hoe mooi hij is. Nu is hij geen zwijn meer. Hij is ook geen vis. Hij noemt zichzelf maar 'zwis'.

Na een poosje ziet hij giraffen met hun lange nek­ken bladeren van de bomen smullen. "O, wat mooi," fluister hij, "leven met je kop in de lucht." Die nacht droomt hij van giraffen met hun lange sierlijke nekken, 's Morgens, als hij wakker wordt, heeft hij zo'n lange, gevlekte hals als van een gir­af. Trots stapt hij rond. Nu ben ik een 'zwisaf', denkt hij.

Een leeuw ligt op de loer. De zwisaf denkt: "Wat is die leeuw toch sterk. Hij ziet er zo belangrijk uit met zijn lange manen rond zijn hoofd." De volgende morgen stapt hij rond. Hij heeft de spieren en de manen van de leeuw. Alle andere dieren lopen van hem weg. Ze zijn erg bang. Nu voelt hij zich een 'zwisafeeuw'.

Er rent een struisvogel voorbij. "O, wat heeft die grote en sterke poten. Hij kan zo snel lopen. Dat wil ik ook." De volgende morgen loopt hij rond op zijn grote struisvogelpoten. Ik ben nu een 'struiszwisafeeuw'.

Met de kop in de lucht loopt hij rond in het bos. Iedereen moet hem kunnen bewonderen. De 'blauwe struiszwisafeeuw' ziet echter de val niet die de jagers hebben gemaakt. Hij tuimelt erin. De jagers komen snel kijken. Wat hebben ze nu ge­vangen? Wat is dat? Zo'n eigenaardig dier heeft nog niemand gezien. Ze nemen het mee en verkopen het aan een circus.

Elke avond moet de 'blauwe struiszwisafeeuw' ge­ketend door het circus dansen. De tranen rollen over zijn blauwe wangen. Hij is ongelukkig. De mensen lachen hem uit. Ze hebben nog nooit zoiets geks gezien.

Die nacht droomt hij in zijn kooi van vogels. Was hij maar een vogel, hij zou weg kunnen vliegen. Had hij maar vleugels! 

De volgende morgen brengen de mensen hem eten en drinken. Hij neemt zijn drinkbak, het vlees, de salade en de wortelen in zijn grote muil, duwt de mensen met zijn looppoten opzij en vliegt met zijn sterke vleugels naar het bos terug.

Hij geeft aan de struisvogel de drinkbak, de leeuw krijgt het vlees, de giraffen mogen de salade opeten en hij strooit de wortelen uit voor de wrattenzwijnen. Ze zijn hem allemaal heel erg dankbaar.

Moegevlogen zet de blauwe struiszwisafeeuw zich tegen een boom neer. Hij denkt na. Hij is niet blij. Hij voelt zich alleen. Over de hele wereld is er maar één zoals hij. Iedereen heeft vrienden. Alleen hij niet. Er is geen enkel dier dat er uitziet als hij.

Die nacht droomt hij van zijn broers en zussen, ne­ven en nichten.  De volgende morgen wordt hij wakker.  "Hé, wat is dat?" Weet jij wat er die nacht is gebeurd? (...) Hij is weer een gewoon wrattenzwijn. Hij loopt sa­men met zijn vrienden naar de poel. Hij bekijkt zichzelf eens goed. Toch is hij niet zoals de ande­ren. Iedereen heeft wel iets. De een heeft een grijs plekje op zijn bil, de ander heeft een lokje achter de oren en weer een ander heeft een pluimstaartje. De een kan gillen en de ander kan beter grom­men. De een kan hard wroeten in de aarde en de ander kan het hol mooi maken.

Nu is hij eindelijk tevreden met zichzelf. Die avond danst hij met zijn vrienden van blijdschap.

Na het vertellen van bovenstaand verhaal in enkele klassen, was het tijd om de eigen creativiteit aan te spreken. De opdracht: ontwerp zelf zo'n gek, onbestaand dier.

Enkele voorbeelden ...

Fotogalerij: Download foto's